soorten monniken tekst
Boeddhisme
De
gemeenschap van boeddhistische monniken en nonnen wordt de Sangha genoemd. Monniken hebben een centrale functie in het
boeddhistische openbare religieuze leven, wat verklaarbaar is door het feit dat
er in het boeddhisme geen priesters zijn. Er zijn hierdoor relatief veel
monniken in het boeddhisme. In Thailand alleen al zijn er zo'n 200.000
monniken, een aantal dat jaarlijks groeit tot 300.000 in de periode tussen juli
en oktober, wanneer veel Thaise mannen het monnikschap tijdelijk opnemen. Er
zijn ook boeddhisten die, nadat hun of haar actieve gezinsleven en
maatschappelijk leven is afgesloten, op latere leeftijd voorgoed monnik of non
worden.
Redenen
om monnik te worden
In het
boeddhisme wordt het kunnen loslaten van aspecten van de wereld als een goed en
belangrijk element gezien van het spirituele leven. Het belangrijkste doel van
het monnikkenleven is het behalen van het Nirvana: de uitdoving van verlangen,
haat en verwarring.
De
Boeddha zei over monnik Ratthapala dat hij met maximale overtuiging monnik
werd. Ratthapala zei tegen Koning Koravya dat hij monnik werd omdat de wereld[1]:
1 onstabiel is: mensen worden
oud en verliezen hun kracht.
2 zonder beschermer is:
pijnlijke gevoelens moet men helemaal zelf ervaren.
3 zonder eigendom is: men moet
alle bezittingen achterlaten wanneer men dood gaat.
4 ontoereikend is: het kan de
menselijke verlangens nooit compleet vervullen.
In
sommige Theravada boeddhistische landen is het
gebruikelijk dat iedere man een tijdje als monnik leeft, vooral als ze nog geen
gezin of andere maatschappelijke verplichtingen hebben. Wanneer een man aldus
een periode als monnik geleefd heeft, wordt hij als meer volwassen dan voorheen
beschouwd.
Soorten
monniken en nonnen
Over het
algemeen bestaan er in het boeddhisme de volgende soorten monniken en nonnen:
•
Bhikkhu (Pali; Sanskriet: bhiksu): een boeddhistische
monnik, volgt de patimokkha en de vinaya voor bhikkhus.
•
Samanera (Pali): een mannelijke novice, volgt de tien voorschriften. Minderjarigen (jonger dan 20) kunnen
alleen samanera worden, geen bhikkhu.
•
Bhikkhuni (Pali; Sanskriet: bhiksuni):
non of zuster, volgt de patimokkha en de vinaya voor bhikkhunis.
•
Samaneri (Pali): een vrouwelijke novice, volgt
de tien voorschriften. Minderjarigen (jonger dan 20) kunnen alleen samaneri
worden, geen bhikkhuni
Hierbuiten
bestaat er ook een soort (tijdelijke) ordinantie voor leken, welke anagarika (Pali) heet. Deze traditie bestond ook
al in de tijd van de Boeddha en een dergelijke vorm
bestaat in meerdere landen. Een anagarika is traditioneel gezien een in het wit
geklede (mannelijke of vrouwelijke) leek die in een klooster woont en de acht voorschriften volgt. Soms is een anagarika een postulant en dan is het slechts een
tijdelijke (introductie) fase tot het monastisch leven. Het is echter ook
mogelijk om anagarika te zijn gedurende het hele leven, of slechts voor een
kortere tijd, zonder bhikkhu te willen worden.
In
sommige landen bestaan niet alle soorten monniken en nonnen. Soms werd wel het
boeddhisme geïntroduceerd in een land, maar gingen er geen monniken naar dat
land toe. Voorbeelden hiervan zijn Japan (waar de originele
boeddhistische monastische vorm nooit is geïntroduceerd), en Tibet (waar nooit bhikkhunis geweest zijn).
Het
dragen van een monnikenkleed is het symbool van het achterlaten van het normale
wereldse leven; boeddhistische monniken worden daarom geacht altijd dit kleed
te dragen, ook wanneer zij zich buiten een klooster bevinden.
Mahayana
De
tradities van bhikkhunis in China en Taiwan en Zuid-Korea zijn de enige overgebleven
tradities van bhikkhunis ter wereld. Deze tradities
gaan terug tot de tijd van de Boeddha en zijn vanuit India en Sri
Lanka
in China, Taiwan en Zuid-Korea terechtgekomen.
In de
grotere Zen-kloosters in Japan is er een strenge hiërarchie
ingesteld, welke onderscheid maakt tussen beginnelingen en gevorderden. De zen
monniken besteden een significant gedeelte van hun (zeer gestructureerde) dag
over het algemeen aan zazen, een vorm van meditatie.
De
Zen-traditie kent overigens geen bhikkhus en bhikkunis en geen vinaya en patimokkha; deze traditie is niet samen
met de rest van het boeddhisme vanuit China in Japan beland. Japan heeft een eigen
traditie van monniken, waarin de monniken tegenwoordig vaak meer een soort priester zijn, daar zij geen
consistent monnikenleven leiden. Zij zijn vaak getrouwd met een vrouw, hebben
kinderen, beschikken over alle luxe en de tempel is vaak hun persoonlijke
bezit, een erfenis van hun vader die ook monnik was. De grotere Zen-kloosters
zijn echter zeer strikt, maar monniken brengen vaak slechts een aantal jaren in
deze striktere kloosters door, waarna zij terugkeren naar hun eigen tempeltje.
Deze
'laksere' traditie is nog niet zo oud; zij werd zo'n honderd jaar geleden per keizerlijk besluit ingevoerd; de keizer
beval in dit besluit de monniken te trouwen. Niet alle monniken deden dit
echter.
Theravada
Het theravada is de boeddhistische traditie die onder
andere in Sri
Lanka,
Thailand en Myanmar gepraktiseerd wordt. De
monniken in de theravadatraditie zijn bhikkhu's, samanera's, bhikkhuni's en
samaneri's. Sinds eind 20e eeuw zijn er weer bhikkhuni's in het theravada,
nadat deze traditie in het theravada 800 jaar lang uitgestorven was. Deze
nieuwe bhikkhuni's hebben hun ordinantie in het Mahayana behaald, maar volgen zelf het
theravada. Over het algemeen gesproken is de ordinantie tot bhikkhuni echter in
veel traditionele theravadalanden controversieel en worden de bhikkhuni's niet
altijd erkent.
Buiten
deze vier basisvormen van het monastisch leven in het boeddhisme bestaan er nog
een aantal soorten van ordinantie die alleen in het theravada bestaan:
•
Siladhara (Pali): in technische zin een samaneri,
echter volgt deze naast de tien
voorschriften ook de extra regels en gebruiken van de Orde van Siladhara's van
Amaravati Buddhist Monastery en gerelateerde kloosters. Deze orde bestaat sinds
1979. De extra regels en gebruiken zijn gebaseerd op de voorschriften voor de
bhikkhuni's, maar zijn minder in aantal en ook minder streng.
In de
theravadatraditie dragen bhikkhu en samanera's oranjebruine (Thailand en Sri
Lanka)
of bordeauxrode (Myanmar en Sri
Lanka)
habijten en scheren ze het hoofd kaal.
Samaneri's in Myanmar dragen een roze gewaad, terwijl bhikkhuni's, siladhara's
en samaneri's in overige landen veelal een donker rood/bruin gewaad dragen. In Myanmar dragen samaneri's roze
kledij. Mae Chiis dragen witte kledij.
Monniken
en nonnen kunnen verder vrijwillig de Dhutanga Vatta ondernemen, een verzameling van
13 licht-ascetische praktijken. Een bhikkhu die geen vaste verblijfplaats heeft
en rondzwerft, heet in Thailand een Toedong-monnik (Thai: Phra Toedong). Het woord
'toedong' is afgeleid van het Pali Dhutanga.
Tibetaans
boeddhisme

0 reacties:
Een reactie posten
Aanmelden bij Reacties posten [Atom]
<< Homepage